|
Meer informatie
De Ziekte van Ménière: valt
er nog iets nieuws te melden?
Samenvatting van de voordracht gehouden door Professor Dr.
Inge Dhooge ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van de Vereniging
voor Ménière-Patiënten vzw in het Pand te Gent.
(Er wordt gewerkt aan een actualisering van de tekst)
Prof. Dr. Ingeborg Dhooge
Dienst Neus- Keel- Oorheelkunde
Universitair Ziekenhuis Gent
Inleiding:
De ziekte van Ménière werd voor het eerst beschreven
in 1861 door Prosper Ménière. Het is een aandoening
die zich kenmerkt door aanvallen van draaiduizeligheid, gehoorsdaling
en tinnitus of oorsuizen. Deze aandoening komt bij ongeveer 1
op 1000 mensen voor. Mannen en vrouwen worden in dezelfde mate
getroffen, maar blanken worden frequenter aangetast dan andere
rassen. De aandoening kan beperkt blijven tot 1 oor. Bij meer
dan 40% van de patiënten echter treft de ziekte vroeg of
laat beide oren. Meestal treden de eerste symptomen van de ziekte
op tussen de 20 en 50 jaar, maar een zeldzame keer wordt het ook
bij kinderen gezien.
Ontstaansmechanisme:
De exacte oorzaak van de ziekte van Ménière is tot
op de dag van vandaag nog onvolledig opgehelderd. In 1938 werd
reeds de theorie van de "endolymfatische hydrops" of
de "gestoorde vochthuishouding van het binnenoor" naar
voor geschoven. Tegenwoordig denkt men meer en meer dat de ziekte
van Ménière een multifactoriële aandoening
is. Dit betekent dat er verschillende elementen zijn die bijdragen
tot de aandoening. In welke mate die verschillende elementen belangrijk
zijn en welke rol ze spelen in het uitlokken van de symptomen
is nog onduidelijk.
Welke elementen spelen een rol:
Radiologische studies van het oor bij patiënten met Ménière
tonen aan dat er vaak anatomische afwijkingen van het oor worden
gevonden: het mastoidbeen is vaak klein en slecht verlucht en
er is een onderontwikkeling van het vestibulaire vochtdrainagesysteem.
De ziekte van Ménière komt soms bij verschillende
leden van eenzelfde familie voor zodat men aanneemt (en dit is
ook aangetoond door stamboomonderzoek) dat er bij een deel van
de patiënten (ongeveer 7%) een genetische voorbeschiktheid
bestaat.
Sommige studies wijzen in de richting van een stoornis in het
immuunstelsel. Of virussen, zoals het herpes simplex virus type
1 en 2, het Epstein-Barr virus en het cytomegalievirus, een rol
spelen, is onduidelijk.
Een associatie tussen migraine en de symptomen van de ziekte van
Ménière is beschreven, waardoor een gemeenschappelijke
vasculaire oorzaak wordt gesuggereerd. Migraine kan de Ménière
symptomen meerdere jaren voorafgaan en komt bij 1/3 van de patiënten
voor.
Verschillende studies wijzen op het belang van een mogelijk psychologische
basis.
Een stoornis in de ionenhuishouding zorgt ervoor dat de haarcellen
van het binnenoor aan een te hoge concentratie van een bepaald
ion, namelijk kalium, worden blootgesteld. De cellen verliezen
hun beweeglijkheid. Dit leidt tot een aanvankelijk fluctuerende
maar uiteindelijk permanente doofheid.
Symptomen:
Klinisch worden er 3 stadia onderscheiden. In het beginstadium
van de aandoening staan vooral de aanvallen van draaiduizeligheid
op de voorgrond. Deze gaan meestal gepaard met misselijkheid of
braken en soms ook met vagale reacties zoals bleek worden en zweten.
Verlies van het bewustzijn treedt niet op. Een volheids- of drukgevoel
in het oor of langs 1 zijde van het hoofd kan deze episode, die
20 minuten tot een aantal uren kan duren, voorafgaan. Tijdens
en na de aanval is het gehoor gedaald. Doorgaans herstelt het
gehoor zich na de aanval. Het gehoorverlies is dus fluctuerend
of schommelend. In de periode tussen de aanvallen in kan het dus
voorkomen dat er geen afwijkingen bij onderzoek worden gevonden.
Naarmate de aandoening verder evolueert, wordt ook het gehoorverlies
duidelijker. De frequentie en ernst van de aanvallen van draaiduizeligheid
bereiken een maximum om dan geleidelijk aan te minderen.
Het laatste stadium kenmerkt zich door een progressieve toename
van het gehoorverlies, dat nu niet meer fluctueert, maar constant
aanwezig is. Beide oren kunnen worden aangetast, waardoor ernstige
slechthorendheid kan ontstaan. De aanvallen van draaiduizeligheid
verdwijnen uiteindelijk maar vaak treden er klachten op van onvastheid,
voornamelijk in het donker.
Diagnosestelling:
Duizeligheid kan verschillende uiteenlopende oorzaken hebben,
en het is niet altijd gemakkelijk, noch voor de patiënt,
noch voor de arts, de klachten te plaatsen bij 1 ziektebeeld.
Een uitgebreide anamnese en klinisch onderzoek, samen met gehoorstesten
zijn uitermate belangrijk voor de diagnosestelling. Daarnaast
is het belangrijk een aantal andere mogelijke aandoeningen uit
te sluiten. Dit gebeurt door bijkomend bloedonderzoek en radiografieën
van het oor.
Behandeling:
De behandeling van de ziekte van Ménière is gebaseerd
op ervaring en niet op harde wetenschappelijke argumenten. Genezing
in de strikte zin van het woord, alsook preventie van het progressieve
gehoorverlies, is vaak (nog) niet mogelijk. Redenen hiervoor zijn
de nog niet echt goed gekende etiologie, alsook het hardnekkige
en terugkerende karakter van de aandoening. Ten tweede is er een
niet te onderschatten placebo-effect van geneesmiddelen en verdwijnt
de vertigo bij ongeveer 70% van de patiënten ook spontaan
na verloop van tijd wat de strikte wetenschappelijk evaluatie
van de verschillende behandelingsvormen bemoeilijkt.
Nochtans zijn er meerdere conservatieve en heelkundige maatregelen
voorhanden die voornamelijk de duizeligheidsklachten verhelpen.
1. Conservatieve maatregelen
De behandeling begint met een correcte uitleg over de aard en
de evolutie van de aandoening. We weten dat vermoeidheid en stress
aanvallen kunnen uitlokken. De patiënt wordt dan ook geadviseerd
om stress te mijden en voldoende rust te nemen. Soms is het opnieuw
opnemen van een hobby zinvol. Sporten wordt aangeraden. Er wordt
ook voedingsadvies gegeven: alle opwekkende dranken (koffie, cola,
zwarte thee) mogen slechts met mate worden genuttigd, er wordt
ook geadviseerd om matig te zijn met alcohol.
In bepaalde omstandigheden kunnen geneesmiddelen aangewezen zijn.
Zo kan een acute aanval onderdrukt worden door kalmerende medicatie
en medicijnen tegen misselijkheid en braken.
Tegenwoordig bestaat de onderhoudsbehandeling uit een histamine
analoog, met name betahistine, al dan niet in associatie met een
vochtafdrijvend medicament of diureticum. Betahistine veroorzaakt
vaak een duidelijke verbetering van zowel de aanvallen van draaiduizeligheid,
het gehoorverlies als het oorsuizen op korte termijn.
Zoutrestrictie in de voeding, inname van diuretica of vaatverwijdende
middelen kunnen worden overwogen, hoewel studies tegenstrijdige
resultaten en een significant placebo-effect aangeven. Wanneer
er een voorgeschiedenis van migraine is kunnen ook antimigraineuze
middelen worden geprobeerd.
Als bovenstaande behandelingen falen, worden soms corticosteroïden
voorgeschreven.
Gentamycine instillatie:
Bij ernstige unilaterale vormen van de ziekte van Ménière
wordt gentamycine (antibioticum) lokaal in het oor ingebracht.
Na één tot maximaal drie instillaties in het oor
verdwijnen in bijna alle gevallen de aanvallen van draaiduizeligheid.
Het gehoor en het oorsuizen verbeteren normaal niet.
2. Heelkundige behandeling
Bij ¼ van de patiënten blijven er, ondanks medicatie,
ernstige episodes van duizeligheid bestaan. Door de komst en het
succes van de gentamycine instillatie zijn er vandaag de dag nog
zelden gevallen waar heelkunde nodig is. De beslissing om tot
heelkunde over te gaan, en de keuze van het type chirurgie is
afhankelijk van de individuele opvatting en ervaring van de chirurg.
Heelkunde van de endolymfatische zak werd voor het eerst beschreven
door Portmann in 1927 maar de efficiëntie van deze ingreep
staat toch ter discussie. Deze ingreep kan worden toegepast bij
patiënten met een nog bruikbaar gehoor.
Een andere, echter niet zonder risico, toegepaste ingreep is het
doorsnijden van de evenwichtszenuw. De bedoeling is het evenwichtsapparaat
uit te schakelen met behoud van het gehoor. Beheersing van de
duizeligheid is met deze techniek mogelijk bij 90-95% van de patiënten.
Labyrinthectomie of het chirurgisch wegnemen van het labyrinth
is aangewezen bij patiënten met ernstige evenwichtsklachten
en met een slecht of niet bruikbaar gehoor. Deze ingreep heeft
een volledig gehoorverlies aan het geopereerde oor tot gevolg.
Het gevaar bestaat dat bij verderschrijden van de aandoening,
ook het andere oor het laat afweten, wat kan leiden tot een volledige
doofheid.
Aanpak van de slechthorendheid:
Waar in het begin van de aandoening vooral de aanvallen van draaiduizeligheid
op de voorgrond staan, zal de patiënt in de eindfase van
zijn ziekte vooral sterk gehinderd worden door de slechthorendheid.
Niet alleen hoort de patiënt slechter, vaak is er een vervorming
van het geluid waardoor het verstaan van de spraak sterk bemoeilijkt
wordt. Het aanpassen van een hoortoestel kan enige verbetering
geven maar door de fluctuaties van het gehoor en de sterke vervorming
zijn de resultaten meestal matig.
Cochleaire implantatie kan toegepast worden bij patiënten
in het eindstadium van bilaterale ziekte van Ménière.
De resultaten zijn over het algemeen zeer goed.
Samenvatting:
Hoewel de ziekte van Ménière nog geheimen kent voor
de wetenschap en in strikte zin nog niet kan genezen worden, zijn
er momenteel meerdere bevredigende behandelingen mogelijk.
November 2004
|